|
Geschreven door Pieter Hilhorst
|
|
Maandag 19 Januari 2009 11:34 |
|
Evaluatie Onderwijsraad
Het Nieuwe Leren is de afgelopen twee jaar heftig bediscussieerd in diverse kranten. Het heeft in toenemende mate het karakter gekregen van een felle polemiek tussen de voor- en de tegenstanders van deze onderwijsvernieuwing. Bij het Ministerie van Onderwijs bestond de indruk dat de discussie eenzijdig en karikaturaal was geworden. Het idee bestond dat een groot deel van de argumenten die in de wetenschappelijke discussie van belang waren in de media niet aan bod kwamen.
Wanneer is een adviesraad succesvol? Het gemakkelijkste antwoord is als haar adviezen worden overgenomen. Maar het is iets ingewikkelder. Als het enige doel is dat adviezen worden overgenomen, dan moet de raad scherp de haalbaarheid van haar voorstellen in het oog houden. Daarmee wordt de raad eerder beleidmaker dan adviseur. Voor de beleidmaker gelden de woorden van minister De Koning: “Als het niet kan hoe het moet, moet het maar hoe het kan.” Een adviseur moet zich juist richten op hoe het moet. In haar werkprogramma 2008 staat: “De raad loopt soms voorop en kan daarbij enthousiasmeren en inspireren, maar ook wel eens irritatie oproepen en kritiek ondervinden. Dat hoort bij haar voorhoedepositie.” Maar ook voor een voorhoedepositie geldt dat de waarde ervan uiteindelijk is gelegen in het effect op anderen. De onderwijsraad wil geen roepende in de woestijn zijn. Het doel is om een bijdrage te leveren aan “onderwijs dat mensen uitdaagt zichzelf te overtreffen en samenleving te dienen.” Een evaluatie van de onderwijsraad bevat daarom idealiter een overzicht van de opgevolgde en de niet opgevolgde adviezen van de onderwijsraad. Vervolgens zou ook nog bekeken moeten worden of de opgevolgde adviezen het beoogde effect hebben gehad. Tenslotte zou ook nog kunnen worden onderzocht wat de gevolgen zijn van het niet opvolgen van adviezen. Heeft dat inderdaad tot problemen geleid of zijn er andere oplossingen gevonden? In een eerdere evaluatie van de onderwijsraad over 2002 gaf L. Vreedevoogd het advies om beter in kaart te brengen wat er met de aanbevelingen van de onderwijsraad gebeurt. De onderwijsraad is aan deze wens tegemoet gekomen met het Het jaarboekje 2006. Opnieuw in stelling gebracht. De raad formuleert daarin drie stellingen: 1) Voor- en naschoolse kinderopvang biedt scholen pedagogische kansen.
2) Extra geld is niet voldoende voor het bereiken van een hoger onderwijspeil
3 De school daagt jongeren uit om zichzelf te overtreffen
Daarna wordt kort weergegeven wat de onderwijsraad in verschillende rapporten over deze onderwerpen heeft geadviseerd en wat anderen daarvan vonden. In een kort bestek wordt duidelijk welke adviezen meer en welke adviezen minder gehoor hebben gekregen. Ten aanzien van de eerste stelling adviseerde de Raad dat scholen de tijd moesten krijgen om de opvang te regelen en daar zelf een passende vorm voor te kiezen. Het advies kreeg bijval onderwijsorganisaties, maar niet van de politiek. VVD voorman Van Aartsen sprak van een ‘modderig middenveld’ dat probeert beleid ‘te traineren’. De PvdA en de VVD hielden vast aan een wettelijke verplichting in 2007. Op het terrein van de tweede stelling is de onderwijsraad veel succesvoller geweest. De eerste reacties zoals die in Het Jaarboekje zijn gedocumenteerd zijn in ruime meerderheid positief. In de verkiezingsprogramma’s van alle politieke partijen is extra geld ingeruimd voor investeringen in het onderwijs. Inmiddels heeft minister Plasterk ook maatregelen genomen om de aanbevelingen om te zetten in beleid. Er komt meer geld om leraar beter te waarderen. Scholen krijgen de vrijheid om bonussen te geven aan uitblinkende leraren. Er komen betere loopbaanperspectieven voor leraren. De collegegelden worden conform de wens van de onderwijsraad verhoogd. Een parlementair onderzoek naar de positie van de leraar is er niet gekomen, maar wel een parlementair onderzoek naar onderwijsvernieuwingen. Van een aantal andere bepleite maatregelen is niet duidelijk of ze zijn opgevolgd, zoals de verruiming van de aftrekbaarheid van studiekosten voor werknemers of de verplichting aan pabostudenten om ten minste in één kunstvak af te studeren. Een andere aanbeveling was om meer ‘evidence based’ te werken; om in het onderwijs alleen hervormingen door te voeren die aantoonbaar effect hebben. Of die aanbeveling navolging heeft gekregen is moeilijk vast te stellen. Daarvoor moet een overzicht worden gemaakt van alle vernieuwingen in den lande en de behaalde resultaten. Maar er zijn signalen die weinig hoopgevend zijn. Zo heeft een van ons voor de Argumentenfabriek meegewerkt aan een analyse van het debat over het nieuwe leren. Er is een argumentenkaart gemaakt met alle argumenten voor en tegen het nieuwe leren. Aan deskundigen is gevraagd hoeveel van die argumenten ook empirisch konden worden onderbouwd. Dat bleek nauwelijks het geval. In het onderwijs blijven geloofsartikelen een grote rol spelen. Bij de derde stelling is het eveneens moeilijker om na te gaan of de aanbevelingen van de raad zijn opgevolgd. De aanbevelingen waren: verstevig de kennis in alle onderwijssectoren, ga onderpresteren tegen door maatwerk te leveren en zorg voor toegankelijke en betrouwbare examens. Per aanbeveling worden ook middelen aangereikt om die doelstelling te verwezenlijken. Zo vindt de Raad het belangrijk om “per vak of leergebied te bepalen wat het basisniveau voor kennis is.” De Raad pleit voor extra leertijd, goede registratie van leerling-prestaties, deskundigheidsbevordering en het aanbieden van extra leerstof in de klas. Tot slot pleit de raad om examens open te stellen voor mensen die het bijbehorende onderwijs niet hebben gevolgd zoals dat ook kan bij een staatsexamen voor de middelbare school en om de correctievolgorde om te draaien: “eerst kijkt een leraar van een andere school het examen na en dan pas de leraar van de eigen school.” De reacties op deze voorstellen die de raad in het Jaarboekje optekent zijn heel summier. Dat komt deels omdat deze rapporten later in het jaar zijn uitgebracht en er dus nog weinig reacties binnen waren. Maar het komt ook omdat de bepleite veranderingen niet vanuit Den Haag verordonneerd kunnen worden. Het beter bijhouden van de onderwijsprestaties van leerlingen is een verantwoordelijkheid van de scholen. Alleen via empirisch onderzoek kan worden bepaald of de aanbevelingen in het veld zijn opgevolgd.
|
Commentaar gebruiker(s)
You must javascript enabled to use this form