| De ouders van salim |
|
|
|
| Geschreven door Pieter Hilhorst |
| Maandag 12 November 2007 14:40 |
|
Theatertekst voor Radio Darfur Gespeeld op 9 november 2007 door Yasmine Allas en Sabri Saad el Hamus bij de actie voor Radio Darfur Hawa: “Ik probeer zoveel mogelijk naar hem te lachen. Als hij bij me op schoot zit. Als hij bij mijn moeder op schoot zit. Als hij kruipt door onze hut. Hij mag nooit denken dat zijn moeder niet van hem houdt. Hij is nu natuurlijk nog te klein om het te merken. Salim is nog maar twee. Maar ik wil dat zijn eerste herinnering er een is van een moeder die naar hem lacht. Hij moet weten dat ik blij met hem ben. Hij moet weten dat hij welkom is. Sommige vrouwen vragen zich af hoe het me lukt om zoveel te lachen. Het leven in het kamp is geen lolletje. Elke avond klinkt er geweervuur. Er is te weinig water. Soms is er voedsel, maar niet altijd. We krijgen voedselbonnen van de Verenigde Naties, maar het is niet genoeg. Er is een ziekenhuis, maar de medicijnen zijn te duur. Er is wel een school. Voor als Salim groter is en we hier nog zitten. Ik ben bang dat we hier dan nog zitten. “Hoe kun je,” vragen ze,” onder zulke omstandigheden lachen?” Ik lach omdat ik weet dat alles dat ons overkomt God’s wil is. Dat is wat mijn vader me heeft geleerd. Zelfs de dood is Gods wil en op een dag gaan we allemaal dood. Ik lach omdat huilen geen zin heeft. Een gezicht kan niet altijd weerspiegelen wat zich afspeelt in het hart. We hebben in Soedan een gezegde: Onder een lach kunnen tranen verscholen liggen. Dily: Ik ben een herder. Ik leefde tussen het vee. Ik trok met ze mee door het hele land. Waar wat te grazen was, daar waren wij. Ik hield van mijn zes kamelen. Ik zou dolgraag weer met ze over de velden te trekken. Het is me hier in London te nat. En de Engelsen. Nou Ja. Op een dag verschenen mannen in uniformen. Ze kwamen ons waarschuwen. We waren in gevaar. Onze vijanden waren in het diepste geheim bezig met hun aanvalsplannen. Ze wilden ons verjagen. Ze wilden alle grond voor zichzelf. De mannen in de uniformen zeiden: “Wij zijn gekomen om jullie te helpen. Maar we hebben te weinig soldaten om alle dorpen te beschermen. De vijand zit overal. Ze zijn met teveel. Wie wil weerloos toekijken hoe zijn dorp wordt vernietigd, zijn vee wordt gestolen en zijn zussen verkracht? We hebben jullie hulp nodig om de moordenaars te vernietigen.” Ik wilde niet vechten. Het waren de wijze mannen van het dorp die de beslissing voor me namen. Ze wezen twintig jonge mannen aan die zich klaar moesten maken voor de strijd. We gingen mee met de mannen in de uniformen. Drie weken lang kregen we militaire training. We leerden hoe we een Kalashnikov moesten gebruiken. We leerden orders op te volgen. We kregen een Hijaab, een klein leren doosje met verzen uit de Koran. Die konden we aan onze riem binden of om onze hals dragen. De verzen zouden ons beschermen tegen vijandelijke kogels. We werden opgedeeld in twee groepen van 500 man. De ene groep reed op paarden. De andere groep reed op kamelen. Ik reed op een kameel. Hawa: Ik woonde in Furawiyah. We hadden al verhalen gehoord van slachtpartijen elders. Mijn oom die vlakbij El Fasher woonde was vermoord. Maar ons stadje had politieagenten. Die hadden ons ook beschermd tegen veedieven. Op 31 januari stond ik bij de waterput. Mijn man was in Libië. Om te werken. Ik was daar met mijn zoontje Mohammed. Opeens verschenen de vliegtuigen. Ze schoten raketten af. Ze bombardeerden de omgeving van de waterputten. Iedereen vluchtte alle kanten op. Ik raakte Mohammed kwijt. Vlak na de bombardementen verschenen soldaten op trucks en jeeps. Daarna verschenen de Janjaweed op paarden en kamelen. Ze riepen “Allahu Akbar”, “Allahu Akbar.” De mensen bij de waterputten werden ingesloten. Ik bleef verscholen. ’s Avonds toen het rustig werd, ben ik bij de waterputten gaan kijken. Er lagen tientallen lijken. Toen zag ik het gezicht van Mohammed. Zijn hoofd. Alleen zijn hoofd. Ik wilde de rest van zijn lichaam vinden. Het lukte niet. Toen heb ik zijn hoofd begraven. Ik liep verdwaasd rond, op zoek naar een schuilplaats. Toen werd ik ingesloten door drie mannen op kamelen. Ze droegen tulbanden. De duivel in drievoud. Janjaweed. Ik kon geen weerstand bieden. Ik was verdoofd. Terwijl ze bezig waren zag ik alleen het hoofd van Mohammed. Het hoofd van Mohammed. Dily: We kregen goed betaald 500.000 Soedanese ponden per maand. Ons bataljon werd geleid door Musa. Hij had een Thuraya satelliet-telefoon. Via die telefoon kreeg hij zijn opdrachten. Met die telefoon kon hij om luchtsteun vragen. Twee jaar lang hebben we rondgetrokken. We vernietigden het ene dorp na het andere. De regering gaf ons opdracht de dorpen plat te branden. Musa bepaalde wanneer welk dorp aan de beurt was.. Hij stuurde altijd eerst spionnen vooruit om te kijken of er strijders waren in het dorp. Als het nodig was vroeg hij hulp van het leger. Vanuit helicopters en vliegtuigen bestookten ze het dorp. We hoefden alleen de rook te volgen. De aanvallen begonnen ’s ochtends vroeg en duurde de hele dag. Musa zei: “Moord ze uit die vieze zwarten. Moord ze uit, de zurga. Moord ze uit. Allah houdt niet van zwarten. Ze zijn een schande voor ons geloof.” Ik heb geen idee hoeveel mensen ik heb gedood. Ik ben de tel kwijt geraakt. De meeste slachtoffers waren burgers. Veel vrouwen ook. Soms vluchten mensen de woestijn in. Daar maakten we ons niet druk om. Die zouden vanzelf van de dorst omkomen. Als vrouwen de aanvallen overleefden werden ze door mijn kameraden te grazen genomen. Soms werden ze ter plekke verkracht. Soms werden ze meegenomen en een week lang misbruikt. Ik wilde daar niet aan mee doen. Mijn kameraden vonden me een slappeling. Ik moest meedoen. Wij moesten ervoor zorgen dat die hoeren Arabieren zouden baren. Hawa: In Soedan geldt de Sharia. Wie zich schuldig maakt aan verkrachting hangt een gevangenisstraf boven het hoofd van 10 jaar en honderd zweepslagen. Het enige probleem is dat iemand pas veroordeeld kan worden als er vier onafhankelijke getuigen zijn. Vier onafhankelijke getuigen die de daad met hun eigen ogen hebben gezien? Wie wordt er nu verkracht voor de ogen van onpartijdige getuigen? Als er voor de oorlog een vrouw werd verkracht was de kans groter dat zij gestraft werd wegens sex voor het huwelijk, dan dat hij werd gestraft voor verkrachting. Zo werd ons geleerd dat we beter konden zwijgen. Dily: Veel van mijn kameraden wilden helemaal niet doen wat ze deden. Ze moesten het doen. Wie orders negeerde, werd ter plekke doodgeschoten. We wilden niet weten wat we deden. Vaak waren we dronken als we de dorpen binnenreden. We dronken zodat onze geest niet hoefde te weten wat onze lichamen uitspookten. Musa zei vaak dat we vochten voor de ware islam. Die vieze zwarten zijn geen echte moslims. Maar hij vond het niet erg als we dronken. Hij zorgde er altijd voor dat er genoeg alcohol voorhanden was. Op een nacht ben ik het kamp uitgeglipt. Ik riskeerde de doodstraf. Maar ik kon het niet meer. Ik moest weg. Drie dagen heb ik me verscholen in de bergen. Daarna ben ik naar Kutum gelopen. Daar heeft iemand me geholpen om naar Mellit te komen. Vanaf Mellit ben ik voor 500.000 Soedanese ponden gesmokkeld naar Libië. Ik wilde naar Engeland. Omdat Engeland anders is dan de andere Europese landen. Zij zorgen echt voor vluchtelingen. In Tripoli is een grote Soedanese gemeenschap. Een vriend van mijn vader heeft me geld gegeven. Ik heb 1200 dollar betaald om samen met nog 25 vluchtelingen op een kleine boot de oversteek te maken naar Italië. Voor 200 dollar werd ik naar Parijs gebracht en voor 300 dollar met een vrachtwagen naar Engeland. Daar heb ik politiek asiel aangevraagd. Ik leg deze verklaring af om te bewijzen dat de Soedanese regering liegt. Ze zeggen dat niets te maken hebben met de bandieten die plunderen en moorden. Ze zeggen dat hebben geprobeerd ons tegen te houden en te ontwapenen. En met elke leugen kregen we nieuwe opdrachten en nieuwe wapens. Inmiddels weet ik dat ook de dorpsoudsten alleen maar orders van de regering opvolgden. Ze wilden me niet de oorlog in sturen, maar ze moesten wel. We waren allemaal marionetten. Marionetten van een moordlustig regime. Hawa: Ik wil niet zwijgen. Ik wil vertellen wat er is gebeurd. Ook als niemand het wil horen. Mijn man zit nog steeds in Libië. Alleen is hij mijn man niet meer. Hij is van me gescheiden. Hij stuurt me geen geld meer. Hij vindt de schande te groot. Dat is waarom veel vrouwen hun mond houden. Dat is waarom veel vrouwen hun kind wegdoen. Ik niet. Ik kan dat niet. Ik laat me niet nog een zoon afpakken. Ik weet niet wat ik tegen Salim ga vertellen over zijn vader. In ieder geval zal ik hem opvoeden als een Massaleit en hem onze taal leren. Misschien vertel ik hem niks. Of misschien verzin ik een verhaal. Een verhaal waarin zijn vader een held is. Een afwezige held. Een held die in Europa zit en daar vecht voor ons Darfur. Een man die rondtrekt en overal vertelt wat er hier met ons gebeurt, zodat de wereld weet wat hier gaande is. Zodat niemand kan zeggen: ik wist het niet. Ik heb het nooit geweten. En bij dat verhaal zal ik naar Salim glimlachen. Glimlachen alsof het een verhaal is met een happy end. (Alle gelijkenissen met bestaande mensen berusten niet op toeval. De verhalen van Hawa en Dily zijn namelijk gebaseerd op getuigenissen van slachtoffers en daders) |




