“Cultuur vermag niet wat we met zijn allen hadden gehoopt: verbroedering.” De spreker is somber gestemd. Twee maanden voor het debat in Zaal de Unie over het Rotterdamse multiculturele kunstbeleid heeft Pim Fortuyn de gemeenteraadsverkiezingen gewonnen.
Een op de drie stemmers koos voor Leefbaar Rotterdam. Het bewijst volgens de bezoeker van het debat dat het streven naar diversiteit in de kunst weinig heeft uitgehaald. “We waren het in Kriterion (tijdens het evaluatiedebat van Rotterdam Culturele Hoofdstad 2001) roerend met elkaar eens dat Rotterdam Culturele Hoofdstad vanuit de diversiteitsgedacht een zeer geslaagd gebeuren is geweest, en dan is het toch zo dat er twee maanden later een verpletterende verkiezingsuitslag is. Dan blijkt dus dat de bevolking er massaal heel andere gedachten op nahoudt, dan je daar met elkaar hebt uitgedragen.” Bij de opening van het podiumcafe op het Dunya festival is wethouder Marco Pastors al even sceptisch over het maatschappelijk effect van cultuur. Hij denkt niet dat een festival als Dunya veel bijdraagt aan de integratie. “Mensen die hier komen weten al hoe men elkaar kan inspireren.” De suggestie is duidelijk al dat multiculturele gedoe is preken voor eigen parochie. De opmerkingen van de bezoeker aan het debat in Zaal de Unie en de wethouder nodigen gemakkelijk uit tot schouderophalen. Wat had je dan gedacht? Verwacht je echt dat mensen in het stemhokje terugdenken aan een voorstelling van het Onafhankelijk Toneel en toch maar een ander hokje rood maken? Denk je nu echt dat mensen minder bang zijn voor Marokkaanse schoffies omdat ze een keer een multicultureel festival hebben bezocht? Van de 26.000 bezoekers van het slotconcert van het Gergjev-festival droeg een iemand een hoofddoek. Denk je dat zij door de louterende werking van de muziek nu anders denkt over de samenleving en islamofobie? Kunst is belangrijk, maar je moet het maatschappelijk effect niet overschatten. Toch blijft de opmerking van de bezoeker aan het debat in Zaal de Unie knagen. Het mag naief zijn om van kunst verbroedering te verwachten, maar wat is dan wel het maatschappelijk belang van kunst? De ironie is bovendien dat de opvatting van deze deelnemer aan het debat eigenlijk niet veel verschilt van het standpunt van het ministerie van Onderwijs Cultuur en Wetenschappen. Want op de website van dat ministerie valt te lezen dat “cultuur (…) de mensen anders naar elkaar laat kijken. Cultuur zet aan om in debat te gaan en leert mensen elkaar te waarderen.” In De Groene Amsterdammer stelt de schrijver en theatermaker Dick Tuinder dat alle politieke partijen het belang van kunst onderstrepen, maar dat ze geen van alle duidelijk kunnen maken wat de waarde is van kunst. De PvdA rept over de kwaliteit van de samenleving. Volgens GroenLinks moet kunst verrassen, stimuleren en inspireren. De SP benadrukt het belang van kunst voor de beschaving en de VVD ziet kunst als hoeder van het cultureel erfgoed. Het CDA spant in dooddoeners de kroon met de opmerking dat kunst belangrijk is voor een samenleving. Tuinder loopt met sardonisch genoegen de verschillende standpunten langs. Mag kunst ook troosten? vraagt hij GroenLinks. Waar is het empirische bewijs dat kunst mensen nader tot elkaar brengt? Hoe bevordert kunst de kwaliteit van de samenleving? Zijn conclusie is duidelijk. “Het idee dat kunst goed is voor mens en samenleving is een onbewijsbaar waanidee.” De enige reden dat politieke partijen zich in zulke bochten wringen is dat ze ten prooi zijn gevallen aan het nuttigheidsdenken. Alles dat geen nut heeft, mag niet bestaan. Tuinder stelt daarentegen dat het enige doel van kunst, kunst is. Het pleit bijna voor een zelfbewust elitarisme. De Rotterdamse Kunststichting heeft zich de afgelopen jaren sterk gemaakt voor een versterking van de culturele diversiteit in de kunst. Maar ze heeft zich niet gewaagd aan uitspraken over de waarde van kunst. Waarom is het belangrijk dat ook jongeren en nieuwkomers kennis maken met kunst en kunst gaan maken? Ze heeft die lastige vraag omzeild door hem om te draaien. Valt het te rechtvaardigen dat het geld dat aan de kunst wordt besteed, niet ook ten goede komt aan jongeren en nieuwkomers? Ze heeft zich bediend van wat ik noem een democratisch vertoog. In een democratisch vertoog zijn de kernbegrippen gelijkheid en participatie. Mijn stelling is dat de RKS en andere pleitbezorgers van culturele diversiteit in de kunsten zich door deze keuze voor een democratisch vertoog kwetsbaar hebben gemaakt voor zowel populistische kritiek (waarom zouden we belastinggeld moeten spenderen aan onbegrijpelijk geklieder?) als aristocratische kritiek (kunst is geen welzijnswerk). De beste manier om de missie van de RKS te redden is daarom het ontwikkelen van wat ik noem aristocratisch multicultureel kunstbeleid. De RKS is dood, leve de missie van de RKS.
Kunstpausen en patjepeeers De van geboorte Russische kunstenaar Ilya Kabakov heeft de westerse kunst vergeleken met een sneltrein die heel onregelmatig stopt. Je kunt tijden op een perron staan wachten en dan raast hij alleen maar voorbij. Als je eindelijk het geluk hebt dat hij een keer tot stilstand komt, blijkt het bomvol in de trein. De gangen zijn versperd met allemaal mensen die op zoek zijn naar een zitplaats. Als je je na veel dringen en vechten aan deze mensenmassa hebt ontworsteld en je dodelijk vermoeid op een bank ploft word je warm onthaald door de mensen die al lang meerijden. Ze hebben alleen een vraag aan je: “What took you so long?” Het mooie aan de metafoor van Kabakov is het verschil in perceptie tussen degene die zich naar binnen vecht en degene die al binnen is. De geroutineerde reiziger heeft helemaal niet het idee dat hij anderen buitensluit. Integendeel. Hij verwelkomt de nieuwkomer juist met open armen. Hij begon net een beetje uitgekeken te raken op zijn vaste reisgenoten. De vers gearriveerde treinreiziger vindt die gastvrijheid maar hypocriet. “Hebben jullie dan niet gemerkt hoe moeilijk het is om hier binnen te komen.?” De RKS heeft zich sinds haar Nota Multicultureel Kunstbeleid van 1997 sterk gemaakt voor het toegankelijker maken van de kunstwereld. De ideeen die daarvoor zijn gelanceerd en uitgevoerd zijn legio. Er zijn cultuurscouts benoemd die talent onder nieuwkomers en jongeren moesten opspeuren en helpen bij het indienen van subsidieverzoeken. Er is geadverteerd in andere talen en in andere media. Er is kritisch gekeken naar de criteria op basis waarvan subsidies werden toegekend. Te westerse criteria kunnen immers leiden tot een zachte uitsluiting. Steeds wordt heel toevallig van de migrant gezegd dat hij niet vernieuwend is. Dus heeft de RKS naast kwaliteit nieuwe criteria voorgesteld zoals contextualiteit. Om de openheid van de kunstwereld te bevorderen werd ook niet meer gesproken over kunst, maar over cultuur. Op die manier zouden drempels die voortkomen uit het onderscheid tussen hoge en lage kunst ook kunnen worden geplaveid. De RKS heeft zich bij haar beleid terdege rekenschap gegeven van diverse valkuilen. Zo is het verleidelijk om voor multiculturele activiteiten extra gelden ter beschikking te stellen. Maar het gevaar daarvan is dat culturele diversiteit een eigen hoekje krijgt en de gevestigde kunst op de oude voet doorgaat. De RKS heeft daarom bepleit dat elke kunstinstelling een multiculturele paragraaf toevoegt aan het jaarverslag. Dat betekent niet dat het Rotterdams Philharmonisch Orkest opeens alleen Boliviaanse Barok moet gaan spelen (hoewel het een mooie ontdekking was van het Prins Claus Fonds dat er zoiets bleek te bestaan als Boliviaanse Barok) . Het betekent wel dat de culturele wereld in zijn geheel meer aandacht moet hebben voor het multiculturele karakter van de stad. Multicultureel werd daarbij heel breed gedefinieerd. Het kon gaan om kunstenaars die zich als multicultureel afficheren, om activiteiten gericht op een multicultureel publiek, of activiteiten die reflecteerden op de multiculturele samenleving. Wat opvalt aan de precieze analyses van de RKS is dat ze meer aandacht besteden aan de instrumenten van het beleid dan aan de legitimering ervan. Voor de RKS was de noodzaak van culturele diversiteit zo vanzelfsprekend dat er amper woorden aan hoefden worden vuilgemaakt. Binnenkort heeft de helft van de Rotterdammers een niet-Nederlandse achtergrond. Bovendien is de helft van de Rotterdammers jonger dan 26 jaar. Als de culturele wereld zich daar geen rekenschap van geeft wordt het een getto voor witte bejaarden. Het nadeel van deze benadering is dat de gevestigde kunstwereld impliciet wordt neergezet als behoudend, als een bolwerk dat privileges probeert te verdedigen. Dat roept defensieve reacties op. In een reactie op het kunstbeleid van Rick van der Ploeg keerden Chris Keulemans, Shervin Nekuee en Bart Top zich sterk tegen de dwang die besloten lag in het beleid van de PvdA staatssecretaris. Dat inspireert niet. Hun stelling was dat op deze manier de tegenstelling tussen gevestigden en nieuwkomers alleen nog maar wordt aangewakkerd. De onderliggende veronderstelling is er een van een zero-sum game. Wat de een wint, moet de ander verliezen. Zo is er voor de gevestigde kunstinstelingen niet een wereld te winnen, maar een bestaande praktijk te verliezen. In de metafoor van Kabakov wordt de nadruk gelegd op de obstakels die nieuwkomers moeten overwinnen om een plaats te veroveren niet op de interesse van de zittende reizigers in hun nieuwe reisgenoot. In Kleur Bekennen. Evaluatie multicultureel Kunstbeleid 1997-2002 zeggen kleine instellingen dat ze de bemoeienis van de overheid politiek correct vinden. Ze zien het als een ongewenste en irritante inperking van hun vrijheid. In die zin is de titel van het rapport veelzeggend. Bekennen is iets dat je met tegenzin doet. In het democratisch vertoog wordt sterk de nadruk gelegd op uitsluiting. Het komt daarmee dicht te liggen bij een populistisch vertoog. Ook daar wordt de kunstwereld neergezet als een gesloten bolwerk. Het verschil is alleen dat in een democratisch vertoog het doel grotere toegankelijkheid van de kunstwereld is, terwijl in een populistisch vertoog de noodzaak van kunst als zodanig ter discussie wordt gesteld. Waarom moeten wij betalen voor die elitaire navelstaarderij? Het verschil is dus de waarde die wordt toegekend aan kunst. In het eerste geval is kunst een schat die gedeeld moet worden. In het tweede geval is kunst in feite waardeloos. Sjef Siemons, de voorzitter van de commissie Kunstzaken namens de Leefbaar Rotterdam, mag er graag mee koketteren dat voor hem kunst gaat om mooi of lelijk. Waarom moet ik gestudeerd hebben om daar iets over te kunnen zeggen? Het is ultieme democratisering van het oordeel. De socioloog Eliot Freidson noemt dat generalised populism. De notie dat deskundigheid een voorwaarde is voor een oordeel wordt verworpen. Door te zwijgen over de waarde van kunst zet het democratisch vertoog de deur wijd open voor een populistisch vertoog. Dat is goed te zien in een bijdrage van Rick van der Ploeg aan de Volkskrant getiteld Schoonheid is een misvatting. Hij schrijft over de onwaarschijnlijke coalitie tussen snobs en cultuurbarbaren. Beide stromingen moeten niets hebben van allochtonen in de kunst. De laatste omdat ze dat gezwets over de multiculturele samenleving zat zijn. De eerste omdat kunst zich niet leent voor welzijnswerk. Volgens Van der Ploeg gebruiken de ‘vermeende kunstelites’ achterhaalde ideeen van kwaliteit om nieuwkomers uit te sluiten. In een reactie schrijft Martin Sommer dat Van der Ploeg met zijn tegenstelling tussen patjepeeers en kunstpausen de facto heeft gekozen voor de eerste groep. Want als je criteria van kwaliteit alleen ziet als middelen om uit te sluiten, dan ontken je het bestaan van kwaliteit en daarmee kies je voor de patjepeeers. De pijnlijke ironie van de geschiedenis is dat de RKS door haar democratische vertoog ook haar eigen ondergang dichterbij heeft gebracht. Door haar nadruk op uitsluiting portreteerde ze de Rotterdamse kunstwereld onbedoeld als een gesloten bolwerk. In het reorganisatierapport Van Droom naar Werkelijkheid dat is opgesteld in opdracht van wethouder Stefan Hulman (VVD) en het einde inluidde van de RKS werd de typering van het gesloten bolwerk overgenomen. Met een klein significant verschil. De RKS werd nu zelf gerekend tot het gesloten bolwerk. Ik ben geen groep Jaren geleden interviewde ik voor een programma van studententv de theatermaker Rufus Collins naar aanleiding van de voorstelling Tramlijn Begeerte door De Nieuw Amsterdam. Collins was een imposante gestalte. Hij had lang rastahaar, een bril die zijn ogen een woeste uitstraling gaven en op zijn schouder een witte kakatoe. Mijn eerste vraag was onschuldig bedoeld. Waarom speelde DNA een klassiek toneelstuk en niet zoals gebruikelijk een stuk over problemen van migranten in de westerse samenleving? Die ene vraag was genoeg om Collins in furie te doen ontsteken. Waarom zou hij alleen theater mogen maken over cultuurproblemen? Multiculturalisme mag geen dwangbuis worden. Hij weigerde zich te conformeren aan verwachtingen over onderwerpen of speelstijlen. “Ik doe wat ik wil. Ik ben geen vertegenwoordiger. Ik ben een kunstenaar.” De uitbarsting van Collins legt een pijnlijke paradox bloot in het democratische vertoog over multicultureel kunstbeleid. Het beleid is bedoeld om allochtone kunstenaars te helpen, maar blijkbaar kunnen ze er ook last van hebben. Die last is niet alleen als ze zich belemmerd voelen in de vrijheid om te maken wat ze willen maken, zoals Collins verwoordt. Het heeft ook te maken met de ongemakkelijkheid om tot een groep te worden gerekend. Om te zien of een beleid ter vergroting van de culturele diversiteit succes heeft, is het nodig om te denken in termen van groepen. Maar kunstenaars willen niet gerekend worden tot een groep. Collins wil Collins zijn, geen vertegenwoordiger. Hafid Bouazza heeft een vergelijkbaar ongemak onder woorden gebracht in Beer met bontjas. Hij wil niet worden gezien als een allochtone kunstenaar. Ik wil me niet laten opsluiten in een identiteit. Het averechtse effect van multicultureel kunstbeleid kan zijn dat er juist meer twijfel ontstaat over de kwaliteit van multiculturele kunstenaars. Hebben zij hun positie te danken aan hun kwaliteiten of aan de opdracht van hogerhand om ruimte te bieden aan allochtonen? Keulemans, Nekuee en Top verwijzen naar de Turkse cabarettiere Nilgun Yerli. Zij was dolblij dat zij was geboekt voor de Kleine Komedie maar wilde wel even voor de zekerheid weten of dat niet te maken had met een of andere subsidie. Pas toen ze was gerustgesteld door de directeur durfde ze echt trots te zijn. Dit wantrouwen wordt versterkt door instellingen als Phenix. Phenix zegt dat de allerbesten wel op eigen kracht een positie weten te verwerven. Voor de groep die daar onder zit is het moeilijker. Voor die groep wil Phenis zich sterk maken. Na zulke woorden zou ik niet meer door Phenix geholpen willen worden. Zo’n etiket van tweede-rangs kunstenaar raak je niet snel meer kwijt. Ook hier wreekt zich het zwijgen over het belang van kunst. Theodor Adorno stelde in de jaren ’60 dat kunst haar maatschappelijk nut niet bewijst door geëngageerde sociale thema’s aan te snijden, maar door in de hoogste mate origineel te blijven. Voor de kunst is eigenheid en individualiteit essentieel. Het democratisch vertoog juist denkt daarentegen noodgedwongen in termen van groepen en aantallen. Zodra dat de boventoon gaat voeren, dreigt kunst te verworden tot etno-vakkenvullen, zoals Keulemans c.s. het omschrijven, en wordt de eigenheid van de betrokken kunstenaars ontkend. Kleurrijke edelmannen en edelvrouwen Mijn bezwaren tegen het democratische vertoog voor een multicultureel kunstbeleid zijn drieledig. 1) Het dwingt de gevestigden in een defensieve rol. Het vestigt de aandacht op wat ze te verliezen hebben, niet op de wereld die ze te winnen hebben. 2) Het dreigt van allochtone kunstenaars vertegenwoordigers te maken en daarmee hun eigenheid te ondermijnen. 3) Multicultureel kunstbeleid dat de waarde van kunst niet expliciteert de zet de deur open voor populisme. Het is dus nodig om terug te gaan naar Tuinder. Wat is de betekenis van kunst als het een “waanidee” is om te denken dat kunst goed is voor de mens of de samenleving? Volgens Tuinder is kunst niet belangrijk omdat we er betere mensen van worden, maar omdat ze ons tot mensen maakt: “Wij kennen geen wereldberoemde tandartsen uit 1650 of politieagenten die eeuwen later nog om hun daden worden herinnerd. Loodgieters, accountants en fabrieksarbeiders: voor hen allen wacht na een leven van hard werken de vergetelheid. Zij laten geen indruk na. Met kunst is dat, soms, anders. En daarin onderscheidt kunst zich van bijna alle andere menselijke uitingen. De reden waarom wij ons wel Ruysdael, en niet zijn tandarts, wel Sjostakovitsj en niet zijn bakker herinneren, is omdat wij onszelf wel herkennen in die symfonie, maar niet in die getrokken kies. Omdat wij kunst zijn. Omdat alle elementen van ons zelfbeeld voortkomen uit kunst. Honden snuffelen aan elkaars achterste, wij kijken naar elkaars kunst. Kunst is het enige wezenlijke dat ons onderscheidt van alle andere levende wezens. Het is de viering van het menszijn.” Tuinders visie, kunst als viering van het menszijn, draagt de sporen van de filosofe Hannah Arendt. Zij heeft geschreven dat het bijzondere van de mens schuilt in zijn vermogen om iets nieuws tot stand te brengen. Om iets te scheppen dat er nog niet was. Kunst is ultieme uitdrukking van deze menselijke kwaliteit. Hier staat het scheppen niet in dienst van een functie (een machine bedenken die efficienter brood bakt), maar in dienst van het scheppen zelf. Tuinder zegt ook impliciet iets over het wonder van kunst, de bijzondere wisselwerking tussen de subjectiviteit van de schepper en de intersubjectieve receptie ervan. Adorno zegt dat kunst in hoge mate ‘origineel’ moet zijn. Kunstenaars zoeken daarom naar hun eigen stem, hun eigen vorm, hun eigen stijl. Maar het bijzondere aan kunst is dat kunstenaars in hun zoektocht naar de persoonlijke stem een universele snaar kunnen raken. Kunst is in mijn visie de viering van het excellente van het menszijn (het scheppen van iets nieuws en het raken van een universele snaar in een subjectieve expressie). Een multicultureel kunstbeleid dat deze zoektocht naar het excellente als uitgangspunt neemt noem ik aristocratisch. Kunst is een edele zaak, een zaak voor kleurrijke edelmannen en vrouwen. Dat betekent allereerst dat kunst niet een kwestie is van mooi of lelijk. Het herkennen van het excellente vereist training en educatie. Kunsteducatie is dus veel meer dan kinderen van allerlei achtergronden laten kennis maken met kunst, het is een verdieping van hun menszijn. Een tweede consequentie van deze keuze voor het excellente is dat het voor de kunstwereld bij uitstek van belang is om over zijn eigen schaduw heen te springen. Niets is een grotere belemmering voor het scheppen (of ervaren) van iets nieuws dan opgesloten te zitten in een circuit. De ramen moeten open. Het hoort bij kunst en kunstenaars om gretig te zijn naar wat onbekende culturen te bieden hebben. En dan blijkt opeens dat de beste zangeres van Afrika in Rotterdam woont (Suzanna Lubrano). Dat zij voor die uitverkiezing in 2003 nauwelijks erkenning heeft gekregen in Nederland en hier in gevestigde theaters zelden optrad is een gemis voor Rotterdam. We doen onszelf tekort door ons voor het nieuwe af te sluiten. Een vergelijkbaar probleem doet zich voor bij de huisvestingsproblemen voor M-plex, Now and Wow etc. Dat het Ontwikkelingsbedrijf Rotterdam geen geschikte lokaties kan vinden voor deze instellingen remt de ontwikkeling van een vibrerende subcultuur, waar nieuwe cultuuruitingen ontstaan. Dat is overigens niet per definitie onwil van het ontwikkelingsbedrijf. Het heeft ook te maken met zulke banale zaken als de eisen die gesteld worden aan de brandveiligheid van openbare gebouwen. Door die eisen zijn de kosten van het verbouwen van oude gebouwen tot nieuwe uitgaansgelegenheden enorm gestegen. In die zin kan je zeggen dat een van de slachtoffers van de rampen in Volendam en Enschede het Rotterdamse culturele leven is geweest. De Rotterdamse kunststichting heeft in 1997 een keuze gemaakt voor pluralisme boven integratie als basis voor het kunstbeleid. Ze koos daarmee expliciet voor het behoud van cultureel erfgoed van alle in Rotterdam aanwezige culturen. Om voor subsidie in aanmerking te komen was het niet nodig om westers en niet westers te mengen. Het was een ferm standpunt tegen de toenemende eis aan nieuwkomers om zich aan te passen. In een aristocratisch multicultureel kunstbeleid kan behoud echter nooit het hoogste goed zijn. Het is van belang om cultureel erfgoed in ere te houden. Dat geldt zowel voor het traditionele Nederlandse erfgoed als voor het erfgoed van nieuwkomers. Die overlevering vormt de bronnen waaruit geput moet worden voor het scheppen van iets nieuws. Hoe beter die bronnen worden onderhouden des te rijker de mengsels die eruit gebrouwen worden. Maar het gaat uiteindelijk niet om behoud, maar om het scheppen van iets nieuws. Aristocratisch kunstbeleid zal daarom altijd de confrontatie of de vermenging, de metissage willen stimuleren. Multicultureel kunstbeleid leidt al snel tot de denkfout dat multiculturalisme primair is gericht op allochtone kijkers of makers. Maar als kunst het maken van iets nieuws is, dan is aristocratisch multiculturele kunst het zoeken naar een antwoord op een veranderende wereld. Dat antwoord zal altijd een zoektocht zijn naar een persoonlijke stem, die een universeel geluid weet te vinden. Deze poging om expressie te geven aan de verhouding van de kunstenaar tot een veranderende wereld is niet voorbehouden aan allochtone kunstenaars. Met de komst van migranten is immers ook voor autochtone kunstenaars de samenleving verandert. Een mooi voorbeeld hiervan is de recente ontdekking van wit als etniciteit. Wat betekent het eigenlijk om blank te zijn? In de fotoserie White Girls Alphabet probeert Wendy Ewald precies die vraag te beantwoorden. Het intrigerendste is de foto bij de N, de N van Normal. Hoe kan iets dat zo divers is toch de norm zijn? Een aristocratisch kunstbeleid heeft niets te maken met welzijnswerk. Het is geen bijdrage aan een betere samenleving of betere mensen. Het is een ode aan de kunst en daarmee aan de mens als dier dat scheppen kan. De kunst moet multicultureel worden omdat het daarmee zijn eigen missie beter kan vervullen. De kunst doet zichzelf te kort als het zich niet openstelt. Kunst moet niet leiden tot een maatschappelijke verbroedering, maar een domein zijn waar een geweldloze botsing kan plaats vinden tussen verschillende manieren om ons te verhouden tot een veranderende wereld. Essay, geschreven voor de Rotterdamse Raad voor Kunst en Cultuur Ongeveer 3.600 woorden |