Op een vrijdagmiddag veranderde het leven van de 18-jarige Israeli Dan Ariely radicaal. Hij werd slachtoffer van een explosie waarbij hij derdegraads brandwonden opliep over 70 % van zijn lichaam. Zijn herstel duurde drie jaar.
Voor mij stond een rapper geprogrammeerd. Na mij een hippe band. Tussendoor moest ik een column uitspreken voor een jong, multicultureel, Rotterdamse publiek. Ik had de uitnodiging aangenomen zonder te weten waar ik ja tegen zei. Het was een vriendendienst. Het zal ook hebben geholpen dat de organisator het me vroeg op een feestje, laat op de avond. Toen ik ter voorbereiding het programma bekeek, schrok ik me rot.
Vlak voor het grote crisisoverleg van het kabinet heeft premier Balkenende een handelsreis gemaakt naar Brazilië. Volgens de mooie reconstructie van het akkoord in Volkskrant (27 maart) wekte het uistel wrevel bij de Christenunie. Het maakt niet de indruk dat het kabinet erg doordrongen is van de ernst en de urgentie van de crisis.
Ja zeggen en nee doen. Ik maak me er zelf ook geregeld schuldig aan. “Ik kom eraan,” roep ik dan opgewekt terwijl ik nog even afmaak waarmee ik bezig was. Of ik beloof dat ik ergens naar zal kijken, terwijl ik weet dat ik daar voorlopig niet aan toekom. Het zou natuurlijk eerlijker zijn om de betrokkenen gewoon de waarheid te zeggen.
Politici hebben geen hoge dunk van hun collega’s. Ze zijn er vaak als de kippen bij om vertegenwoordigers van andere partijen te verwijten dat ze handelen uit electorale motieven of dat ze politieke spelletjes spelen. Ze laten zich zo kennen als aanhangers van de opvatting dat politiek een voze bezigheid is waar het algemeen belang moeiteloos wordt opgeofferd aan het eigen belang. Als alle journalisten zouden schrijven dat andere journalisten om naam te maken leugens en onzin verkondigen, zou er van het vertrouwen in de journalistiek ook niet veel overblijven.