Aankomen, niet afvallen PDF Afdrukken E-mail
Donderdag 31 Januari 2008 15:51
Een Turks spreekwoord luidt: een ware vriend spreekt ook bittere woorden. Paul Scheffer haalt het spreekwoord aan in de inleiding van Het Land van Aankomst. In zijn boek betoont Scheffer zich een ware vriend. Hij is op zijn best als hij andere mensen berooft van hun illusies. Niet uit wreedheid, maar omdat hij gelooft dat al die gemakkelijke veronderstellingen en die naïeve verwachtingen uiteindelijk schadelijk zijn voor de kwaliteit van het bestaan en de samenhang in de samenleving. De meest fundamentele vorm van wensdenken is de gedachte dat de geschiedenis altijd immigratie heeft gekend en dat het dus vanzelf wel goed komt met de integratie. Zo gemakkelijk gaat dat niet. Scheffer schrijft terecht: “Integratie is meer dan een kwestie van tijd.” Hij weet overtuigend de ernst van de multiculturele problemen te etaleren en zo een gevoel van urgentie op te roepen. Nederland dreigt een land van gescheiden werelden te worden.
Om die dreigende realiteit te voorkomen is een kritisch zelfonderzoek noodzakelijk. De eerste vraag die daarbij opduikt is: waarom was het in het verleden zo ingewikkeld om de problemen te benoemen. Scheffer ontleedt een keur aan opvattingen die een reële analyse van de situatie in de weg hebben gestaan. Het idee dat er altijd migratie is geweest en integratie dus een kwestie van tijd is, miskent belangrijke verschillen tussen de huidige en eerdere migratiestromen. Zo speelt in de huidige migratie religie een veel grotere rol. Armoede was altijd een element van migratie, maar dat veel nieuwkomers inactief zijn vanwege werkloosheid of arbeidsongeschiktheid is nieuw. De goede communicatiemiddelen verschaft nieuwkomers bovendien de gelegenheid om veel gemakkelijker nauwe contacten met het land van herkomst te onderhouden. Een vierde verschil is dat er hedendaagse migranten veel meer dan vroeger bruiden en bruidegommen halen uit het land van herkomst. Het zijn stuk voor stuk factoren die de integratie bemoeilijken.

De lange tijd populaire relativering van de eigen Nederlandse identiteit maakt het voor migranten ook niet gemakkelijker om hier te aarden. “Inburgering, ja, maar waarin dan?”, vraagt Scheffer zich af. Het klinkt aardig om te zeggen dat de Nederlandse taal niet zo belangrijk is, maar als dat ertoe leidt dat migranten geen Nederlands hoeven leren, blijven ze machteloos in het nieuwe land. Veel migranten zijn namelijk niet tweetalig, maar halftalig. Ze spreken belabberd Nederlans, maar beheersen ook de taal van hun ouders slecht. Voor veel migranten is Nederland een ‘onduidelijk’ land. Het expliciteren van Nederlandse normen, waarden en gebruiken maakt het voor nieuwkomers makkelijker om voor zichzelf een plek te veroveren. De Iraanse socioloog Ali Ekbar Mehdi geeft een goede illustratie van dit mechanisme. Hij heeft onderzoek gedaan naar Iraanse vluchtelingen in de Verenigde Staten en Europa. De Amerikaanse Iraniërs zijn veel succesvoller dan de Europese. Hij verklaart dit verschil alsvolgt. In Amerika zijn de eisen die aan migranten worden gesteld veel eenduidiger: je moet economisch presteren. Als jij beroerd Engels spreekt, maar er wel in slaagt om veel auto’s te verkopen hoor je een Amerikaanse werkgever niet klagen. In Europa zijn de eisen diffuser. Een nieuwkomer moet niet alleen goed zijn werk doen, maar ook nog eens passen in het team, wat dat ook moge betekenen. Respect voor culturele verschillen is in Nederland ook vaak een excuus geweest voor een cultuur van vermijding. Tolerantie ten opzichte van andersdenkenden, anders levenden en anders gelovende mensen was een schaamlap voor een zinderende onverschilligheid. Het beleden multiculturalisme werd een vorm van cultuurrelativisme. Alle culturen zijn evenveel waard. Het hele idee van vooruitgang wordt overboord gegooid. Wie dat denkt voelt zich nooit geroepen om kwalijke praktijken van anderen te bekritiseren. Het enige alternatief is om met een grote boog heen te lopen om alles wat vreemd is en je mogelijk niet bevalt. Multiculturalisme was op zijn best langs elkaar heen leven en op zijn slechtst een bezweringsformule: Als wij ons niet met hen bemoeien, bemoeien zij zich misschien ook niet met ons. Het is volgens Scheffer een ideologie van behoudzucht. De slogan ‘integratie met behoud van eigen identiteit’ spreekt boekdelen.

Ook met het idee dat de verzuiling een zinnige strategie is voor de integratie van minderheden maakt Scheffer overtuigend korte metten. Wie dat gelooft miskent de diversiteit onder de migranten. Turken, Marokkanen, Iraniers en Somaliers delen niet één identiteit zoals Limburgse en Noord-Hollandse katholieken. Daarvoor zijn de nationale en religieuze verschillen veel te groot. Bovendien is het in tegenstelling tot de zuilen een qua klasse eenzijdig samengestelde groep. De top en de betere middenklasse ontbreken nagenoeg. Ten tijde van de verzuiling vond de maatschappelijke verzoening plaats op het niveau van de elites. De elites van de huidige migrantengroepen zijn daarvoor veel te zwak.

Nederland is een seculiere samenleving. De ingezetenen wisten zich daarom moeilijk een houding te geven ten aanzien van de religie van de nieuwkomers. Lang is gedacht dat de migranten wel evengoed een secularisering zouden doormaken. Aan de hand van het werk van de Franse socioloog Olivier Roy laat Scheffer zien dat er wel sprake is van een individualisering van de godsdienstbeleving van jongeren. Zij laten zich niet leiden door de islam van hun ouders. De culturele inbedding van het geloof spoelt weg. Maar deze individualisering van het geloof moet niet worden verward met een toenemende populariteit van liberale opvattingen. Integendeel. Jongeren knutselen vaak een veel radicalere en orthodoxere variant van de islam in elkaar dan hun ouders gewoon waren. Bovendien is het voorbarig om te stellen dat de individualisering van het geloof betekent dat sociale dwang geen rol meer speelt. Openlijk verklaren van dat je niet meer gelooft, is in veel gemeenschappen nog steeds een vorm van sociale zelfmoord.

De theorieën, veronderstellingen en verwachtingen die Scheffer ontmaskert hebben een gemeenschappelijk kenmerk. Ze legitimeren stuk voor stuk een cultuur van vermijding en een politiek van afzijdigheid. Wie niet kijkt wat er gaande is, hoeft ook niet in te grijpen. Ik denk echter dat het ook andersom werkt. De grondlegger van de sociologie Auguste Comte had een mooie formule gemunt voor het verband tussen kennen en kunnen, tussen wetenschap en maakbaarheid van de samenleving: Savoir pour prévoir, prévoir pour pouvoir. Weten om te kunnen voorspellen, voorspellen om in te kunnen grijpen. Deze logica van de maakbaarheid werkt echter ook andersom. Over alles waarvoor geen oplossing bestaat willen we ook niks weten. Scheffer heeft gebroken met deze vrijwillige zelfbeperking: “Het is belangrijk om deze diagnose te stellen los van de mogelijkheden om er verandering in aan te brengen.” Zo bestond lange tijd het idee dat immigratie een natuurverschijnsel was. Ingrijpen door de overheid zou zinloos zijn. Als de immigranten niet welkom waren langs de legale weg dan zouden ze zich wel illegaal in ons land vestigen. Omdat tegen immigratie toch geen kruid gewassen was, hadden mensen ook geen zin om na te denken over de gevolgen van immigratie. Ze wilden niet weten in hoeverre de immigratie het maatschappelijk contract op losse schroeven zet. Toch is bekend dat etnische diversiteit het onderlinge vertrouwen ondermijnt. Het is bekend dat werkgevers baat hebben bij de komst van migranten omdat het de lonen drukt en werknemers er last van hebben omdat hun komst de lonen drukt. Bovendien blijkt in de praktijk dat regeringsbeleid wel degelijk invloed heeft op de immigratiestroom. Het is beter om als burgers en beleidsmakers zich daar rekenschap van geven en bewuste keuzes maken in het soort immigratie dat ze wel of niet willen toelaten.

Scheffer is een goede stofzuiger. Hij gaat met verve het spinrag te lijf van verhullende woorden, valse veronderstellingen en misleidende opvattingen. Maar wat hij doet als het huis eenmaal is opgeruimd bevalt me minder goed. Zijn eigen oplossingen zijn me te mager en veel te symbolisch. Scheffer heeft sinds de publicatie van Het Multiculturele Drama een ontwikkeling doorgemaakt. Het is een subtiele, maar wezenlijke verschuiving. Hij legt minder de nadruk op integratie en meer op participatie en hij legt minder de nadruk op een gemeenschappelijke identiteit en meer op pluralisme. Maar hij verbindt veel te weinig consequenties aan deze impliciete positieverandering. Om de waarde van de positieverschuiving van Scheffer te kunnen laten zien, moet ik echter eerst kort ingaan op onbedoelde effecten van zijn analyse op het publieke debat.

Na het verschijnen van Het Multiculturele Drama schreef ik voor de Volkskrant een reactie. Scheffer verweet sociaal-democraten dat zij geen oog hadden voor culturele verschillen. Zij dachten alles te kunnen oplossen met een klassieke emancipatieagenda. Als nieuwkomers maar goede scholing krijgen, werk hebben en in nette huizen wonen, veranderen hun opvattingen vanzelf. Scheffer betoogde dat dit een veel te rooskleurige verwachting was. Als nieuwkomers minachting hebben voor het land waarin ze wonen, komt er ook niks terecht van dat werk, die goede opleiding en die gezellige buurt. Als nieuwkomers zich de spelregels van Nederland niet eigen maken, vergooien ze hun kansen in de samenleving.

In mijn artikel betoogde ik dat er er een merkwaardige antagonistische coalitie bestond tussen Paul Scheffer en de multiculturalisten. Een antagonistische coalitie ontstaat als twee partijen over een kwestie zo heftig van mening verschillen dat wordt verhuld waarover ze het eigenlijk eens zijn. Scheffer en de multiculturalisten verschilden van mening over de wenselijke culturele oriëntatie van nieuwkomers. Voor multiculturalisten zouden migranten die trots zijn op hun afkomst meer zelfvertrouwen hebben en daarom beter kunnen deelnemen aan de samenleving. Scheffer stelde daarentegen dat nieuwkomers pas volwaardig succes zouden hebben als ze zich oriënteren op de Nederlandse samenleving. De overeenkomst tussen de beide partijen is dat ze aan culturele oriëntatie een doorslaggevend belang toekennen. En juist dat betwijfel ik. Maatschappelijk succes is veel meer afhankelijk van opleiding en toegang tot netwerken dan van opvattingen. Natuurlijk bestaat er een wisselwerking tussen opvattingen en machtsbronnen als opleiding en toegang tot netwerken. Wie zich in zijn hoofd afsluit voor de Nederlandse samenleving zal ook minder mensen kennen die hem kunnen helpen aan een baan. Wie vindt dat meisjes niet naar school moeten of mogen werken, belemmert hun mogelijkheden om volwaardig te participeren in de samenleving. Maar het werkt ook vaak andersom, wie geen enkele kans maakt om volwaardige mee te doen aan de samenleving, keert zich mentaal van die samenleving af. Pascal stelde zich al de intrigerende vraag: kniel ik omdat ik bid of bid ik omdat ik kniel. Door de nadruk te leggen op culturele oriëntatie maken zowel de multiculturalisten als Scheffer van integratie een mentale kwestie. Loyaliteit wordt dan logischerwijs een heikele kwestie. Als je bij een wedstrijd tussen PSV en Fenerbahce voor de Turken juicht ben je een gemankeerde Nederlander.

De culturele analyse van Scheffer heeft enorm veel weerklank gekregen. In zijn boek haalt hij Afshin Ellian aan. “Ik heb de belangrijkste beslissing over mijn leven per post gekregen, namelijk mijn Nederlands burgerschap.” Inmiddels wordt van de naturalisatie een ceremonie gemaakt die weerspiegelt dat het om iets belangrijks gaat. Er is ook werk gemaakt van de explicitering van de nationale identiteit. Er is een historische canon opgesteld en er zijn verkiezingen gehouden voor de grootste Nederlander. Er is ook veel meer geïnvesteerd in de inburgering van nieuwkomers. Iedereen moet Nederland leren en wegwijs worden gemaakt in onze samenleving. De noodzaak van inburgering past overigens niet alleen in een culturele benadering, maar ook in een klassieke emancipatieagenda. Idealiter verstrekt het nieuwkomers immers het gereedschap om hun leven in eigen hand te nemen.

De culturele wending in het integratiedebat heeft echter ook geleid tot een focus op symbolische kwesties over loyaliteitsconflicten. Het debat over dubbele nationaliteiten is daar een mooi voorbeeld van. Wie twee paspoorten heeft kan volgens de criticasters niet onvoorwaardelijk loyaal zijn aan Nederland. Wie een hoofddoek draagt, keert zich af van de Hollandse waarden en normen. Wilders gaat zelfs zover dat moslims ostentatief afstand moeten nemen van tenminste de helft van de Koran. In al deze debatten ligt de nadruk op de culturele belemmeringen voor deelname aan de samenleving. Paul Scheffer neemt zelf overigens afstand van deze monoculturele interpreatie van integratie. Godsdienstvrijheid betekent volgens hem dat vrouwen ook de vrijheid mogen hebben om een hoofddoek te dragen. Alleen in uitzonderlijke gevallen mag dat niet. Zoals een griffier in een rechtzaal. Daar moet de neutraliteit worden bewaakt. Hij betwist dat dubbele nationaliteiten wijzen op een gebrek aan loyaliteit. Er zijn zelfs mensen in het leger met een dubbele nationaliteit. Dat zijn dus mensen die bereid zijn om voor ons land te vechten en te sterven. Het pijnlijke van de culturele wending in het integratiedebat is dat daarbij de nadruk is komen te liggen op wat mensen moeten opgeven om erbij te mogen horen. De implicatie is dat mensen de oude loyaliteit en de oude identiteit eerst moeten opgeven, voor de nieuwe loyaliteit en identiteit waarde krijgt.

Integratiepolitiek moet zich volgens mij niet richten op wat mensen denken, maar op wat mensen doen. Als mensen deelnemen aan de samenleving door te werken, door actief te zijn op de school van hun kinderen, door zich te mengen in politieke debatten dan tonen mensen hun loyaliteit aan de samenleving. Integratiepolitiek moet zich daarom richten op participatie. De nadruk moet komen te liggen op wat mensen winnen door mee te doen, niet wat ze verliezen door het oude op te geven. Het gaat om aankomen, niet om afvallen. Mijn stellige overtuiging is overigens dat als mensen volwaardig deelnemen aan de samenleving hun opvattingen ook zullen veranderen. Ik sluit mij aan bij de door Scheffer aangehaalde Christiaan Snouck Hurgronje die in 1911 al schreef: “Al te knellende banden die de Moslimsche wet om het leven der Islambelijders slingert, raken vanzelf los, zodra ons cultuurleven in een of ander opzicht hen krachtiger tot zich trekt. (…) De drang moet echter van binnen naar buiten werken en niet andersom.’ Want: “Alles wat aan aanval blootstaat, stijgt in de waardering van wie het bezit.” In het huidige debat gebeurt het tegenovergestelde. Er is een culturele strijd van buiten gaande tegen de islam. Het gevolg is dat moslims zich juist meer gaan hechten aan hun geloof.

Voor integratie is de klassieke emancipatieagenda van het bevorderen van schoolprestaties, deelname op de arbeidsmarkt, deelname aan het maatschappelijk middenveld van veel groter belang. Het moet niet gaan om burqua’s maar om banen, niet om geloofsafval, maar om schooluitval. Het bevorderen van de arbeidsparticipatie van allochtonen en het verbeteren van de schoolprestaties van hun kinderen is geen eenvoudige taak. Dat vergt corvee. Het is sleuren, trekken en duwen. Het vreemde is dat Scheffer aan die alledaagse integratiearbeid nauwelijks aandacht besteedt. Dat is jammer want die alledaagse inspanning is doorslaggevend voor het succes van de integratie. Aankomen lukt alleen als de nieuwkomers niet onmiddellijk afvallen in de maatschappelijke wedren.

Scheffer erkent overigens wel in theorie het belang van burgerschap en participatie. Hij lijkt daarin ook van positie te zijn verschoven. Dat blijkt uit de manier waarop hij het woord ‘wij’ gebruikt. Terecht stelt hij: “Zonder ‘wij’ gaat het helemaal niet, zonder een kritische betrokkenheid vergruist de samenleving.” Dat wij zocht hij in eerste instantie in een nieuwe gedeelde identiteit. Dat zegt hij nog steeds wel. Hij blijft het belang benadrukken van een verbeelde gemeenschap. Maar het effect van deze strategie op de integratie is beperkt. Om het cru te stellen: kennis van de Nederlandse geschiedenis biedt geen garantie op een baan. Naast het grote alomvattende ‘wij’ heeft Scheffer dan ook steeds meer aandacht gekregen voor kleine partiele lotsverbintenissen, kleine ‘wij’s’. “Eenvoudig gezegd worden nieuwkomers in het gezin, op school en op de werkplek ingewijd in de samenleving.” Als mensen zich verbonden voelen met een school, met hun collega’s, met de medeleden van de voetbalclub, dan voelen ze zich ook verbonden met de samenleving zonder dat ze een nauw omschreven identiteit delen. De socioloog Arjun Appadurai heeft erop gewezen dat nieuwkomers zich vaak makkelijker verbonden kunnen voelen met een stad dan met een land. ‘Wij Amsterdammers’ wordt ervaren als inclusiever dan ‘Wij Nederlanders’. Als er voldoende dwarsverbanden bestaan tussen deze deelidentificaties is het zinnig om betrokkenheid bij de samenleving te versterken via deze deelidentificaties.

Het zoeken naar een gedeelde nationale identiteit biedt ook geen oplossing voor de culturele conflicten die opduiken in een multiculturele samenleving. De inhoud van de gedeelde identiteit is immers beperkt. Het is niet zo dat mensen die een hekel hebben aan homoseksuelen gemankeerde Nederlanders zijn. Er zijn immers ook genoeg autochtonen met een homohaat. De culturele conflicten die er zijn, worden dan ook niet opgelost met een beroep op een gemeenschappelijke identiteit. Ook hier geldt dat een pluralistische benadering veel meer soelaas biedt. Het gaat niet om het formuleren van een gemeenschappelijkheid die het conflict oplost, maar om het organiseren van een confrontatie van de tegengestelde visies op het goede leven. De politieke filosoof Herman van Gunsteren heeft geschreven dat het grote probleem van de multiculturele samenleving niet gelegen was in de verschillen, maar in het volledig ontbreken van een productieve botsing van die verschillen. Het probleem lag in het isolement en de cultuur van vermijding.

Het streven naar participatie en het streven naar pluralistische confrontaties gaan hand in hand. Op het moment dat nieuwkomers deelnemen aan de zeggenschap op scholen, als ze deel nemen aan het arbeidsproces, als ze deelnemen aan het politieke debat ontstaan vanzelf ook botsingen tussen verschillende waarden en normen. Die kunnen lokaal worden beslecht. In zijn beschouwing over de islam houdt Scheffer ook een pleidooi voor het zichtbaar maken van de verschillen. “Vertrouwen is een ander woord voor integratie en dat vertrouwen wordt enorm bevorderd wanneer het pluralisme aan alle kanten zichtbaar wordt.” Maar hij past dat pleidooi in de rest van zijn boek niet toe. Wanneer belemmert welk verschil van mening de schoolprestaties van kinderen, de arbeidsdeelname van nieuwkomers, de gebrekkige deelname van nieuwkomers in het maatschappelijk middenveld en het publieke debat? Het antwoord op die vraag, vergt een uitermate empirische beschrijving van het pijnlijke proces van integratie. Het levert ook gereedschap op om meer en effectiever werk te maken van het bevorderen van de participatie van nieuwkomers. Scheffer heeft gelijk dat je een diagnose moet kunnen stellen “los van de mogelijkheden om er verandering in aan te brengen.” Maar het is ook geen schande om te proberen te laten zien wat mensen in de praktijk van alledag al doen om de integratie te bevorderen en wat ze, zowel aan de kant van de nieuwkomers als aan de kant van de ingezetenen, meer of beter kunnen doen. Scheffer geeft te aandacht aan het corvee dat voor een goede integratie nodig is. Een goede vriend spreekt niet alleen bittere woorden, maar is ook bereid om te helpen bij het afwassen.


Verschenen in Justitiële Verkenningen 8/2007 pp 91-99
 
Commentaar gebruiker(s)

You must javascript enabled to use this form

Pieter Hilhorst - Publicist